andermans boeken

Herfst

Het was een doordeweekse middag, ik zat in de bibliotheek, eigenlijk om te werken maar ik las Herfst van Karl Ove Knausgård. De Noorse schrijver die in het Amerikaans dat rondje bovenop zijn achternaam kwijtraakt – het wordt Knausgaard – schreef de zesdelige autobiografie Mijn Strijd. Zijn werk is belangrijk voor me. Ik las het eerste deel, Vader, in 2013. Het laatste deel moet ik nog; daar wil ik in januari aan beginnen. Het heeft 1.100 pagina’s. Herfst is een tussendoortje. Knausgård schreef in een jaar tijd vier bundeltjes met mini-essays, elk vernoemd naar een seizoen, en dit is het eerste dat naar het Nederlands vertaald is. De rest volgt nu om de drie maanden. Knausgård is niet bijzonder literair – tenminste, niet in de definitie die de meesten erop na houden. Soms is hij ronduit plat. En hij maakt het zich gemakkelijk met die essays. Het is alsof hij elke dag is gaan zitten achter zijn beeldscherm, om zich heen keek en het eerste dat hem opviel is gaan beschrijven. Een vogel. Een schoorsteen. Vingers. Knopen. Een toiletpot. (Hij zal naar het toilet zijn geweest en daar hebben gedacht: ha, stukje). Soms dwaal ik af tijdens het lezen, want hij is regelmatig kaal aan het omschrijven, alsof er slechts een dun laagje schrijverschap over een Wikipedia-pagina gelegd is. Maar dan, soms, is het weer groots, dan zit er een versnellend ritme in de zinnen, dan merk je dat hij een gedachte binnendringt en op iets stuit. Dan is het ontleden van het alledaagse gelukt.

Aside
alledaagse dingen, muziek, sport

Reeperbahn

We reden met z’n negenen naar Hamburg. Negen mannen, jonge mannen, vrienden sinds lang daarvoor. Eens in het jaar een weekend, volgens traditie. Hamburg was smerig, in de meest charmante zin van het woord – er stond een kermis zo groot als een dorp, hooligans van St. Pauli hadden de muren tegenover ons hotel beklad. Een keer naar rechts en dan naar links en daar lag de Reeperbahn, grauw en vuig, koude straatstenen en slecht neonlicht.

We zagen een wedstrijd van HSV, treurig onderaan in de Duitse Bundesliga, nog zonder één overwinning. Er hing een groot bord in de kromming van het stadion, een bord dat optelde: zo lang speelt de club al onafgebroken op het hoogste niveau in Duitsland. Hij stond op 53 jaar, 93 dagen, 21 uur, en dan nog wat minuten en seconden. Het tikte door, maar je voelde dat de trots ervan niet meer bestond, je voelde dat dat bord ze om de nek hing, zwaar, en dat de mannen met shirtjes en sjaaltjes voorover moesten buigen om het nog te kunnen dragen. Het werd 2-2 tegen Werder Bremen. HSV bleef laatste.

Eerder op de dag, op zaterdagochtend, was ik in m’n eentje naar het Beatles Platz aan de Reeperbahn gelopen, om weer even te kijken. Ter ere van de periodes die de toen nog beginnende band in Hamburg doorbracht, dagelijks urenlang op de planken van vuile kroegen, staan er uit ijzeren contouren bestaande silhouetten van John, Paul, George en Ringo. Niets bijzonders, eigenlijk. Los van hen, op een paar meter afstand, staat Stuart Sutcliffe. De basgitarist die er niks van kon en het ook niet echt wilde, maar John had hem erbij gevraagd dus hij deed het maar. Hij werd in Hamburg verliefd op een Duits meisje en bleef daar.

’s Avonds, na de wedstrijd, toen we de stampvolle metro uit waren, liepen we er met z’n negenen langs. Een van mijn vrienden vroeg: waarom staat er één gast los van de rest, en dat hoorde ik graag, want toen kon ik erover vertellen.

Standard
andere dingen

Onderwatertuin

Een dag na de overwinning van Trump was ik met mijn vriendin in het Oceánario in Lissabon. We betaalden de toegang, stopten onze jassen in een kluisje en liepen de trap op. Een medewerkster raadde ons aan eerst naar rechts te gaan, naar de tijdelijke tentoonstelling.

Het was een tientallen meters lang aquarium, dat twee keer de bocht om ging, in een ruimte die was verduisterd als een bioscoop. Kleine vissen zwommen tussen de vriendelijkste kleuren blauw en groen en er klonk instrumentale muziek van componist Rodrigo Leão. Het werk, lazen we bij de deur, was van de vorig jaar overleden Japanner Takashi Amano, en heette Florestas Submersas.

Onderwatertuinen.

Het waren vreemde dagen geweest. In de nacht van dinsdag op woensdag bleven we op tot half drie, in ons Airbnb-appartement, om de verkiezingsuitslagen te volgen. We hadden het snelle internet in de dagen ervoor per ongeluk opgemaakt aan Netflix, want we wisten niet dat er een maximum aan zat, dus nu zaten we met een dichtgeknepen verbinding die ons slechts in staat stelde een paar liveblogs open te houden op onze telefoons. Geen bewegend beeld. We gingen slapen toen duidelijk werd dat het een te lange nacht zou worden om uit te zitten – en toen, want ik geloof dat ik het al wist, de overwinning van Trump begon door te dringen. Ik sliep koortsachtig, keek nog eens hoe het ervoor stond om half vijf, en zag rond half acht ’s ochtends dat het zover was. President Trump. Lees verder

Standard
muziek

If you’re doing anything artsy, the rest of the world’s job is to say whether it’s any good or not. Because you’re making art. You’re trying to be a magician. You’re trying to create a unicorn. If you put out something that’s like just a horn taped to a goat, people are going to say, ‘Nah, that’s not a fucking unicorn, man.’ People are going to tell you you suck most of the time, but a couple of other people might be like, ‘I don’t know man. That might be a fucking unicorn.’

Matt Berninger, frontman The National, bij The Creative Independent

Quote
film en televisie, mijn boeken

The Graduate

Nog voor ik de film ooit gezien had, kon ik de laatste scène van The Graduate haarscherp voor de geest halen. Achterin de bus, zij in trouwjurk, hij in een alledaags kloffie, eerst lachen ze, want ze hebben iets uitgehaald, dan kijken ze alleen nog voor zich uit.

Waar had ik dat beeld vandaan? Natuurlijk, de film is iconisch, ik moet het al eens ergens gezien hebben. Het fragment zit in (500) Days of Summer, bijvoorbeeld, als Tom en Summer de film kijken. Maar dat was het niet alleen. Ik moest denken aan Before Sunrise, als Jesse en Céline in Wenen weliswaar niet de bus, maar wel de tram nemen, ook achterin gaan zitten, ook – voor de kijker – zij links en hij rechts. Ik moest denken aan Boyhood, als in de laatste scène Mason en Nicole naast elkaar zitten, we zien ze van voren, zij links, hij rechts, en net als in The Graduate kijken ze de ander om beurten aan. Lees verder

Standard
muziek

It’s a restless hungry feeling
That don’t mean no one no good
When everything I’m a-saying
You can say it just as good

You are right from your side
I am right from mine
We’re both just one too many mornings
And a thousand miles behind

One Too Many Mornings, Nobelprijswinnaar Bob Dylan

Quote
mijn boeken

McKee

Een paar weken geleden belde ik Robert McKee. McKee is een Amerikaanse zeventiger die Story schreef, een standaardwerk over scriptschrijven. Het was avond bij mij. Ik zat in een lege en al vroeg donkere woonkamer. Het was middag bij hem.

Ik had het halve idee opgevat om voor de krant een stuk te schrijven over hoe het is om je hoofdpersoon te moeten doden, zoals Vince Gilligan met Walter White deed, bijvoorbeeld, en dacht dat McKee daar misschien wat moois over te vertellen had. Dat was niet zo. Hij wilde het wel over het vak hebben, het ambacht, the craft, maar had geen trek in geneuzel over wat de schrijver daarbij gevoeld had. Het moet over art gaan, zei hij, niet over de artist.

Toen ik had opgehangen, zag ik dat ik een WhatsApp-bericht had ontvangen. Het kwam van mijn literair agent, Willem. Hij stuurde: ‘Peter! Dit boek gaat jouw doorbraak worden. Echt steengoed. Zie je morgen.’ Lees verder

Standard